Lief

Zomaar ben ik vaak lief. Bijvoorbeeld als ik een mevrouw mijn parkeerbonnetje geef waar nog tijd op zit. ‘Lief van u!’ Als ik op een vol strandterras een stelletje sein dat ze bij mij mogen aanschuiven. ‘Wat lief !’ Als ik een opbeurend kaartje bij iemand in de bus heb gedaan. ‘Lief!’

Maar zo lief ben ik toch niet? Hooguit aardig. Behulpzaam. Vriendelijk. Attent.

‘Lieve Roos’ is nu ook de aanhef van mails. Eerst nog vroeg ik me af wat daar achter zat. Waarom was ik van beste tot lieve gepromoveerd? Dat duidt toch op gevoelens van, tja, zoiets als vertedering? Lieve bewaar je toch voor iemand die heel speciaal voor je is?

Nog zoiets. De afsluiting van mails. ‘Liefs!’ ‘Lieve groeten.’ Nooit meer die oude vertrouwde vriendelijke dan wel hartelijke groeten. Die klinken nu behoorlijk afstandelijk, om niet te zeggen kil en koel. Dus tik ik voortaan, zij het met een vies gezicht, ook maar ‘lieve groet, Roos.’

Nu schoot me onlangs in een helder moment het begrip woordinflatie te binnen. Inflatie, dat is het natuurlijk! Want sinds alles wat een tikje bijzonder is bizar heet, klinkt ‘beste Roos’ of ‘aardig van je’ lauw en mat. En sinds we elkaar bij het begroeten zoenen en omarmen, is je hand uitsteken vreselijk afstandelijk. Dat doe je niet. Sterker, je omhelst iemand, met warme schouderklopjes om het te bezegelen.

Maar hoe nu verder? Welk superlatief volgt op lieve en liefs? Of wordt de inflatie een halt toegeroepen? Terug naar de waarde die ‘lief’ in bijvoorbeeld het jaar 2000 had? Als die waarde de gouden standaard is, wat word je dan ouderwets verlegen als iemand je lief vindt. Je gaat er verdikkie van blozen.

Stel je dat even voor, mensen die blozend niet weten wat te zeggen. O, wat is dat lief!