Valentijnsdag

Ik ben een nuchter type, iemand van vóór Valentijnsdag. Toen anonieme rozen en valentijnskaarten vaste grond onder de voet begonnen te krijgen, haalde ik daar nuffig mijn neus voor op. Wat een sentimenteel Amerikaans gedoe.
Ja, ’t kwam allemaal door de middenstand. Net als Moederdag en Vaderdag. Alsof het niet de gewoonste zaak van de wereld was om goed voor elkaar te zorgen. Liefde, zoenen, stralende blikken hield je binnenskamers. Die hing je, net zoals de vuile was, niet buiten.

Ik kon het weten. Ik had vanaf mijn vijftiende verkering. Ik zat op de middelbare school. Hij was net achttien en ging geneeskunde studeren in de grote stad. Onze verkering was een serieuze zaak, een grote toekomst wachtte ons, daar pasten geen roze kaarten met zoete woorden bij.
En toch…
Een schoolvriendin vertrouwde me in de pauze op het schoolplein blozend toe dat ze een Valentijnskaart had gekregen. Ze liet ‘m zien. Roze krullen, gouden randje, een hart in het midden met daarin Ik vind je leuk. PS.

Ik vroeg wat er in het PS stond. Maar nee, welnee, dat waren zijn initialen. Mijn vriendin bloosde, haar ogen schitterden. Ze durfde niet te zeggen wie hij was. Stel dat ze de verkeerde… Daarom keek ze steeds de andere kant op, want hij stond ergens daar bij het noodlokaal.
Even vond ik mijn eigen verkering een beetje jammer. Zou er misschien een  leuke jongen zijn die mij heimelijk een leuke meid vinden? Die blonde bijvoorbeeld uit de parallelklas… Snel corrigeerde ik mezelf door te denken dat die hele Valentijnsdag grote flauwekul is. Een uitvinding van de middenstand.

Dat zeggen wij-van-vóór-Valentijn tot op de dag van vandaag nog steeds. En toch… stilletjes… diep in je hart… zou er iemand zijn die het niet durft te zeggen… die eigenlijk een kaartje… een mailtje… dat je een heel leuke vrouw/man bent… Of aan wie je zelf zo’n berichtje…?
Hé, kom op! Het is nog geen 14 februari! Je kunt het nú nog doen! Bijvoorbeeld heel nuchter mailen dat je het leuk vindt dat er zulke lieve, aardige mensen bestaan zoals hij of zij.