Wát rondje om fietsen?

Oké, de zon schijnt. Maar het vriest twee graden en de noordoostenwind heeft er behoorlijk veel zin in. Dat is niks voor een type als ik. Er mogen doorgewinterde lui zijn die volhouden dat je je vanzelf warm fietst. Maar wát vanzelf? Bovendien mag dat voor je romp gelden, verder is het flauwekul.

Want hoe vaak niet stond ik met dooie vingers en tenen, en een druipende snotneus, stampvoetend bij het rietland te koukleumen waar zich geen vogel liet zien?

Want hoe vaak niet zwoegde ik door de dorpsstraat, de mensen negerend die me van achter de ramen van hun lekker heet opgestookte huis zagen passeren?

Kortom, ik blijf thuis.

Ik zal d’r gek zijn om tegen die poolwind in door ons ellenlange dorp te trappen. Want was het maar echt waar, wat ze zeggen, dat je dan terug wind mee hebt. Terug, dat is hier eerst over de hoge oude kronkelende zeedijk. Halve wind, tegenwind, stukje schuin mee. Tegenwind, halve wind. Dan de dijk af naar beneden het landweggetje in. En dat landweggetje heeft de idiote gewoonte steevast z’n kop in de wind te gooien. Altijd heb je er tegenwind. Altijd. Hoe je het ook wendt of keert.

Wat met dit weer ook niet meehelpt zijn de erf-honden. Ze hebben niks te waken, want welk weldenkend mens waagt zich nu deze kou in? Dus spitsen ze van verre alvast hun oren. Staan hun poten alvast in de startblokken. En beginnen ze alvast dreigend te zwaaien met hun staart. Al gauw draven ze woest blaffend langs de slootkant met je mee, hun hele erf en aanpalende weiland langs. Zie jij ze dan nog maar met je tekort aan adem met vriendelijke prijzende woorden te sussen. Je stikt er bijna in!

De luwte van de dorpen, daar moet je het nu van hebben. Zonnetje, tsjilpende mussen, vergenoegd kwetterende spreeuwen. Een slinks overstekende zwarte kat met witte voetjes. Een donzen dekbed dat wappert uit een slaapkamerraam. Het tikken van een vlaggenlijn tegen de mast. Krokussen, sneeuwklokjes, een kwakend eenden paartje. Het café is dicht, want het is maandag. Winkels zijn er niet en niemand laat zijn hond uit op het ommetje rond het voetbalveld. Dus ben je in de kortste keren alweer in het buitengebied. Alleen met de wind. Alleen met je hijgende adem en je trappers.

Dus wat doe ik? Ik blijf binnen. Ik loop wel voor mijn conditie tien keer de trap op en neer. Doe een dansje in de kamer. Maak een serie diepe kniebuigingen en ijsbeer tot vervelens toe de kamer heen en weer. Want buiten mag de zon schijnen, binnen ook. En daar is het lekker eenentwintig graden en helemaal windstil.